

In 1269 werd voor het eerst melding gemaakt van een stenen kerk in Breda, bekend als ‘denne stenne monster te Breda’. Dit markeert het begin van de Grote Kerk Breda, die nu al meer dan 750 jaar bestaat. In de beroemde Prinsenkapel, met zijn gewelfschilderingen versierd met puur bladgoud, rusten de voorvaderen van de Nederlandse koninklijke familie. De geschiedenis van het Nederlandse koningshuis vindt hier haar oorsprong, in de stad Breda.
De huidige Grote Kerk Breda, zoals we die nu kennen, ontstond halverwege de veertiende eeuw toen Jan van Polanen I de heerlijkheid Breda verwierf. Hij had de ambitie om van Breda een echte stad te maken, ondanks de kleine populatie van slechts vijfduizend inwoners. Onder zijn leiding werd de kerk omgebouwd tot een stenen bouwwerk, terwijl het eerder een tufstenen kerk en mogelijk zelfs een houten kerk was. Zijn zoon, Jan van Polanen II, liet het Kasteel van Breda bouwen. De bloeiperiode van de kerk bereikte haar hoogtepunt onder Engelbrecht II van Nassau en Hendrik III van Nassau, die de kerk na 1410 verder uitbreidden tot haar huidige omvang.

De eerste Prins van Oranje-Nassau, René van Châlon, ligt begraven in Breda. Als zoon van Graaf Hendrik III van Nassau en Claudia de Châlon, erfde René in 1530 de prinsentitel Van Oranje via zijn moeder. Zijn neef, Willem van Oranje, erfde deze titel na René’s dood in 1544 op het slagveld. René de Chalôn rust in de Prinsenkapel, waar ook andere leden van de vroege Nassau-familie begraven liggen. Hoewel zijn hart in Bar-le-Duc, Frankrijk, is begraven, werd het grafmonument in de Prinsenkapel opgericht ter ere van zijn oudoom, Graaf Engelbrecht II van Nassau, en Cimburga van Baden.
Tot 1829 werden invloedrijke bewoners van Breda begraven in de Grote Kerk, waar meer dan tweehonderd grafstenen te vinden zijn. De ontbinding van deze lichamen veroorzaakte een geur, wat leidde tot de term ‘rijke stinkerd’. Hoewel er sinds 1829 niet meer in de kerk wordt begraven, bieden de grafstenen nog steeds een belangrijke inkijk in het verleden en het leven van invloedrijke mensen uit eerdere eeuwen. De Grote Kerk blijft daarmee een levendig monument, waar je letterlijk in en op het verleden staat.

.

In 1353 verkocht de hertog van Brabant Breda aan Jan II van Polanen, een Hollandse edelman en Heer van Breda, die de bestaande burcht versterkte met een gracht en vier hoektorens. Deze versterkte burcht werd een integraal onderdeel van de verdedigingswerken van Breda. De laatste telg van de familie Van Polanen, Johanna van Polanen, trouwde in 1403 met de Duitse edelman Engelbrecht I van Nassau-Siegen, waardoor Breda en het kasteel in handen kwamen van de invloedrijke familie Nassau. Dit huwelijk markeerde het begin van de historische band tussen Nederland en het huis van Oranje-Nassau. Engelbrecht’s zoon, Johan IV van Nassau-Siegen, vergrootte het kasteel rond 1460 en liet belangrijke gebouwen zoals de Rekenkamer en de Nassautoren bouwen. Hendrik III van Nassau-Breda, een latere telg, transformeerde het kasteel in 1536 tot een renaissance-paleis, een project dat na zijn dood in 1538 werd voltooid door zijn zoon René van Chalon, die in 1540 de Hofkapel bouwde.
Rombout II Keldermans, een lid van de beroemde Vlaamse bouwersfamilie Keldermans, leidde in 1527 de herbouw van de grote zaal en nieuwbouw van het kasteel, dat in 1531 werd voltooid. Na de vroege dood van René de Chalon kwam het kasteel in handen van zijn neef Willem van Nassau-Dillenburg, later bekend als Willem van Oranje, die het kasteel gebruikte als militaire basis tijdens zijn strijd tegen het Spaanse gezag. Het kasteel speelde een belangrijke rol in de geschiedenis, zoals bij de ondertekening van de Vrede van Breda in 1667, die een einde maakte aan de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog. Stadhouder-koning Willem III breidde het kasteel verder uit en gaf het de naam Prinsenhof, hoewel hij en zijn opvolgers er weinig verbleven. In de 18e eeuw, tijdens de Franse tijd, werd het kasteel gebruikt als kazerne en militair hospitaal. In 1826 stelde koning Willem I het kasteel beschikbaar aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA), waar in 1828 de eerste cadetten arriveerden.

Rond 1900 werden de buitenmuren van het zuidelijke voorgebouw en de Nassautoren gerestaureerd, waarbij onder andere de oude bepleistering werd verwijderd. Later werden het Spanjaardsgat, de Duiventoren en de Granaattoren vernieuwd. Na een vijfjarige restauratie werd het Huis van Brecht in 1993 heropend. In de kelder bevindt zich nu een expositie van de opgravingen die tijdens de restauratie hebben plaatsgevonden.

In 1598 werd de westelijke vestinggracht van het kasteel van Breda, de Molenley, onder leiding van Maurits van Nassau afgesloten voor scheepvaartverkeer en gedempt. Deze gracht, die in 1590 werd gebruikt voor het beroemde Turfschip van Breda om het kasteel te benaderen, vormde een zwakke plek in de verdediging. Dit vroeg om ingrijpende veranderingen in de watervoorziening rond het kasteel. Hoewel Filips Willem van Oranje al in 1584 de Baronie en het kasteel van zijn vermoorde vader erfde, werd hij pas in 1609 ingehuldigd na het ingaan van het Twaalfjarig Bestand. Onder zijn bewind werden belangrijke wijzigingen doorgevoerd, zoals de aanleg van een nieuwe waterpoort, die vandaag de dag bekend staat als het Spanjaardsgat. Deze poort bracht de getijdewerking terug in de slotgracht, wat essentieel was voor de watermolen en de bevoorrading van het Prinsenhof. De bouw van het Spanjaardsgat begon in 1610, na goedkeuring door zowel Filips Willem als zijn halfbroer Maurits van Nassau.
Het Spanjaardsgat, dat voor velen de toegang tot het kasteelterrein symboliseert, werd echter pas 20 jaar na de gebeurtenis met het Turfschip van Breda gebouwd en heeft dus geen directe historische band met dat verhaal. Tegenwoordig worden het Spanjaardsgat en de twee geschutstorens, de Duiventoren en de Granaattoren, gebruikt door de Koninklijke Militaire Academie en zijn ze iconisch voor de stad Breda. De Hoge Brug naast het Spanjaardsgat, vervangen in 2007 vanwege de terugkeer van de haven, is een populaire plek voor geliefden, getuige de vele slotjes aan de relingen. Het Spanjaardsgat dient ook als achtergrond voor geprojecteerde kunst en concerten, en op de jaarlijkse Nassaudag wordt het verhaal van de List met het Turfschip kleurrijk verteld tijdens speciale boottochten door het Spanjaardsgat.


In februari 1590 werd Maurits benaderd door Adriaen van Bergen, een schipper uit Leur, met een gedurfd plan om de stad Breda in te nemen. Van Bergen vervoerde regelmatig turf naar het kasteel van Breda, waar Spaanse troepen gelegerd waren. Omdat zijn schip zo vaak langs kwam, werd het niet meer gecontroleerd. Hij stelde voor om, geïnspireerd door het Paard van Troje, een groep soldaten in het ruim van zijn schip te verstoppen en zo het kasteel binnen te smokkelen. Maurits zag potentieel in dit plan en liet Johan van Oldenbarnevelt de uitvoering regelen, die op zijn beurt Charles de Héraugière als bevelhebber aanstelde.
Op 25 februari 1590 stond De Héraugière met 75 man klaar om in te schepen, maar door de vertraging van Van Bergen werd besloten om de volgende dag een nieuwe poging te wagen. Dit keer namen twee neven van Van Bergen de leiding over. De operatie verliep niet zonder problemen: slecht weer vertraagde de tocht, en het duurde ruim twee dagen voordat ze Breda bereikten. Uiteindelijk kwamen ze op 3 maart ’s avonds laat aan, en het schip werd naar de waterpoort van het kasteel geloodst. Ondanks dat het schip lekte en op het punt stond te zinken, konden de soldaten rond middernacht tevoorschijn komen en de kasteelbewoners overrompelen. Hoewel de Spanjaarden in de meerderheid waren, werden ze volledig verrast, en velen vluchtten of werden gevangengenomen. Volgens sommige verhalen had het kasteel slechts een minimale bezetting omdat de Spanjaarden carnaval vierden in de stad. Op 4 maart trok Maurits Breda binnen, waarna de Spaanse bezetters zich definitief overgaven. De succesvolle inname van Breda versterkte Maurits’ reputatie als krijgsheer en leidde tot meer financiële steun van de Staten-Generaal voor zijn leger, wat in de jaren daarna tot verdere overwinningen zou leiden.
Het monument dat in 1904 werd opgericht, staat symbool voor de 500-jarige historische band tussen Breda en het huis Oranje-Nassau. Deze lange en rijke relatie begon in 1404, toen Engelbrecht I van Nassau-Siegen officieel werd gehuldigd als heer van Breda, een gebeurtenis die de basis legde voor de langdurige verbinding tussen de stad en de invloedrijke familie Nassau. Het monument is zorgvuldig ontworpen in de vorm van een burcht, wat niet alleen een verwijzing is naar de adellijke status van Engelbrecht, maar ook naar de versterkte stad die Breda in de loop der eeuwen is geweest. Bovenop de burcht prijkt een trotse leeuw, een sterk symbool van de Hollandse identiteit, die de onverbrekelijke band tussen Breda en het huis Oranje-Nassau benadrukt.
Het monument is verder verrijkt met de namen en familiewapens van Engelbrecht I van Nassau-Siegen en zijn vrouw Johanna van Polanen, die een sleutelrol speelden in de geschiedenis van Breda en de Baronie. Hun huwelijk bracht niet alleen aanzienlijke invloed, maar ook aanzienlijke landerijen en macht in de regio, wat het begin markeerde van een langdurige dynastie die een blijvende invloed zou hebben op de stad. Naast de persoonlijke wapens van Engelbrecht en Johanna zijn ook de wapens van de verschillende gemeenten in de Baronie van Breda op het monument aangebracht, wat een eerbetoon is aan de bredere gemeenschap die door de eeuwen heen onder de heerschappij van de Nassaus is gegroeid en gebloeid. Dit indrukwekkende monument werd op 3 juli 1905 plechtig onthuld door koningin Wilhelmina, een gebeurtenis die niet alleen een eerbetoon was aan het verleden, maar ook de blijvende kracht en invloed van het huis Oranje-Nassau op de stad Breda en haar inwoners onderstreepte. De ceremonie was een belangrijk moment in de geschiedenis van de stad, waarbij de diepe historische banden tussen Breda en de Nederlandse monarchie op waardige wijze werden gevierd.
Het is onbekend hoe oud het kasteel precies is en hoe het er oorspronkelijk heeft uitgezien. Vanaf 1494 was er op het goed De Boeverie sprake van een omwaterd stenen huis nabij de daar al gelegen grote en kleine hoeve. De kleine hoeve stond bij de kruising van de Duivelsbruglaan en de Bouvignelaan maar ging in vlammen op tijdens de belegering van Breda door Spinola in 1624. De grote hoeve was sinds 1614 eigendom van de Prinsen van Oranje en sinds 1881 van de staat. In 1941 werd de boerderij door een V1-raket verwoest maar later herbouwd.
Voor zover bekend kwam het stenen huis voor het eerst in 1554 voor in een officiële akte: het testament van de vroegere eigenaar Jacob van Brecht. In dit testament werd het gebouw omschreven als een statig stenen huis omgeven met grachten. Het herenhuis is in de loop der tijd uitgebreid. Op het stenen huis is tussen 1554 en 1611 de eerste verdieping van de toren gebouwd. In de drie jaar daarna volgden er nog enkele andere verbouwingen en is de toren verhoogd met een tweede verdieping. Op 8 oktober 1614 kocht prins Filips Willem van Oranje huize ‘Boeverijen’ voor 27.000 gulden van zijn zaakwaarnemer en vertrouweling Jean Baptiste Keeremans die het met zijn verbouwingen de huidige Renaissance-aanblik had gegeven. Filips-Willem was de oudste zoon en erfgenaam van zijn vermoorde vader Willem van Oranje. Hij was baron van Breda van 1609 tot 1618. Keeremans verwachtte een benoeming als drossaard van Breda (vertegenwoordiger van de prins, vergelijkbaar met de functie van burgemeester), maar de Staten-Generaal keurden zijn benoeming af vanwege zijn katholicisme en vermeende anti-calvinisme.

Bouvigne is een voornaam herenhuis en werd nooit als jachthuis gebruikt. De jachtgebieden van de Oranjes lagen ten noorden van het Prinsenhof (Kasteel van Breda) en bij het Liesbos. Het Mastbos is een aangelegd productiebos voor hout. Het is niet duidelijk waar Filips-Willem het kasteel voor gebruikte, hij woonde op het Prinsenhof. Wellicht stelde hij het ter beschikking als woning van een rentmeester.
In totaal hadden achter elkaar acht prinsen het kasteel in hun bezit. In 1637 was het het hoofdkwartier toen prins Frederik Hendrik de stad Breda belegerde om aan de Spaanse overheersing een eind te maken. Hendrik Carel van Naerssen verzette zich in 1774 tegen plannen om het gebouw wegens verwaarlozing af te breken. De Nassause Domeinraad gaf toe. De welgestelde koffieplanter George Ruysch knapte het kasteel op en verfranste de naam naar Bouvigne (zo werd het genoemd in 1802 in een koopakte). Vanaf 1930 kwam het kasteel in handen van de overheid en werd het onder andere lange tijd verhuurd aan de Catechisten van de Eucharistische Kruistocht (Pius X-stichting).

De koepelgevangenis van Breda maakte deel uit van een justitieel complex in het centrum van Breda. De voormalige gevangenis is een van de drie koepelgevangenissen die Nederland kent. De andere twee bevinden zich in Arnhem en Haarlem. Het gebouw huisvestte een deel van de penitentiaire inrichting De Boschpoort. Deze kende drie onderdelen: een huis van bewaring, een gevangenis en een afdeling met extrazorgplaatsen.
Tot januari 2013 was er ook een vrouwengevangenis. De vrouwen zijn overgeplaatst naar de penitentiaire inrichting Ter Peel in Horst aan de Maas. Op 22 maart 2013 werd bekend dat de hele gevangenis gesloten zou worden in verband met bezuinigingen. De eerstvolgende afdeling ging in 2014 dicht. De rest van het complex werd op 1 januari 2016 definitief als penitentiaire inrichting gesloten.[1] Hiertegen rees in Breda veel protest, de burgemeester vertelde er verdriet over te hebben.[2]
Geschiedenis De koepelgevangenis werd in de periode 1882-1886 gebouwd naar een ontwerp door de justitie-architect Johan Metzelaar, die eerder de vergelijkbare koepelgevangenis van Arnhem ontwierp. Het gebouw werd ontworpen volgens het door de Brit Jeremy Bentham in 1791 bedachte panopticum-principe: vanuit het midden van het cirkelvormige complex konden de bewakers de gevangenen constant in de gaten houden. Het complex werd in 2001 aangewezen als rijksmonument. Medio 2007 liep een procedure om de omgeving rond De Koepel tot beschermd stadsgezicht te verklaren. Het gehele complex, met uitzondering van de rij bewaarderswoningen langs de Nassaustraat, is eigendom van de Staat en in beheer bij het Rijksvastgoedbedrijf. In 2021 werd de koepelgevangenis door het Rijksvastgoedbedrijf in de verkoop geplaatst.[3]
Al enkele decennia worden door de inrichting geregeld rondleidingen georganiseerd. In mei 2005 werd er voor het eerst een soort ‘open dag’ georganiseerd door het ministerie van Justitie. Er mochten die dag 75 mensen komen kijken.

Bekende gedetineerden De Koepel is vooral bekend van de Drie van Breda; de drie daar gedetineerde oorlogsmisdadigers die het langst in hechtenis bleven. In de jaren vijftig werden veel tot zware straffen veroordeelde landverraders hier gevangen gehouden.Op tweede kerstdag 1952 wisten uit de koepelgevangenis te ontsnappen de zware oorlogsmisdadigers: · Herbertus Bikker, SS’er · Sander Borgers, SS’er · Klaas Carel Faber, SS’er · Jacob de Jonge, kampbewaarder Kamp Erika · Willem van der Neut, kampbewaarder, bijnaam Beul van Amersfoort · Willem Polak, SS’er · Antoine Touseul, SS’er

Het Bredase Begijnhof is een indrukwekkend en historisch complex in het hart van Breda, omgeven door muren en doordrenkt met eeuwenoude geschiedenis. Het hofje bestaat uit 29 huisjes die verdeeld zijn over twee intieme hofjes, welke zijn gegroepeerd rondom een schilderachtige kruidentuin. Deze tuin is niet alleen een plek van rust en contemplatie, maar herbergt ook een beeldje van twee begijnen in gesprek, een symbool van het gemeenschapsleven dat hier ooit bloeide. Het Begijnhof ligt in de directe nabijheid van het Valkenberg Park, en biedt een serene ontsnapping uit het stadsleven, met zijn smalle steegjes, historische panden, en rijke flora. Ooit was dit hofje een toevluchtsoord voor begijnen, vrome vrouwen die een religieus geïnspireerd leven leidden, zonder zich volledig aan de kerk te binden. Hun aanwezigheid in Breda, en specifiek in dit hofje, heeft een onuitwisbare stempel op de stad gedrukt.
Een van de meest opmerkelijke gebouwen binnen het Begijnhof is de Sint-Catharinakerk, een neoclassicistische kapel die werd gebouwd tussen 1836 en 1838 naar een ontwerp van de Oosterhoutse architect Van der Aa. De eenbeukige kerk, die plaats biedt aan 69 gelovigen, werd op 25 juli 1838 ingewijd door de apostolische administrator J. van Hooydonk, die later de eerste bisschop van Breda werd. De kerk is versierd met prachtige glas-in-loodramen die in de late 19e eeuw werden toegevoegd, en die onder andere de patroonheiligen Sint-Catharina en Sint-Begga verbeelden. Naast de kerk zijn er binnen het Begijnhof tal van andere historische elementen te ontdekken, zoals de Prinsenpoort, de oudste toegangspoort van het hof, en de Begijnhuisjes die dateren uit de 16e eeuw. Het complex herbergt ook een bijzondere heksenbol, een spiegelende glazen bol die volgens oude volksverhalen de kracht had om heksen hun toverkracht te ontnemen of zelfs te ontmaskeren. Deze bol, samen met andere fascinerende elementen zoals het Kakhuis, de Infirmerie, en het huis van de hofmeesteres, geven bezoekers een diepgaand inzicht in het leven van de begijnen en het culturele erfgoed van Breda. Het Begijnhof is daarmee niet alleen een architectonisch juweel, maar ook een levend monument dat de geschiedenis van de stad op een unieke manier tot leven brengt.

De Laurentiuskerk is een kerk gelegen aan de Duivelsbruglaan 1 in de wijk Ginneken in de stad Breda. De kerk is gewijd aan de heilige Laurentius.
Geschiedenis In 1261 was er sprake van een kapel, en sinds 1316 was er sprake van een zelfstandige parochie in het dorp Ginneken, die gewijd was aan Sint-Laurentius. De oudste delen van het huidige gebouw zijn echter laatgotisch en stammen uit het midden van de 15e eeuw. Het is een eenbeukige kruiskerk met westtoren. In 1630 woedde er een brand waarbij een groot deel van de kerk verwoest werd, maar koor en dwarspand bleven behouden. Ook in 1649 woedde er brand. De kerk werd in 1928 gerestaureerd en in 1940 werd het schip herbouwd. De ingebouwde toren stamt uit de 14e eeuw en is veranderd in 1649. De kerk liep zware oorlogsschade op in 1944 en werd gerestaureerd in 1946.

Het interieur beschikt over een kansel uit de tweede helft van de 17e eeuw. In de kerk liggen ook enkele zerken, waarvan de oudste uit 1411 stamt en enkele andere 17e-eeuws zijn. Sinds 1966 heeft het gebouw status rijksmonument en staat het ingeschreven in het monumentenregister. Aan de achterzijde van de kerk bevindt zich het kerkhof met naast de kerk een gedenkteken voor luitenant-generaal Hendrik Gerard Seelig, die gestorven is in 1864. Dit marmeren reliëf is van de hand van F. Stracké. Op het kerkhof bevindt zich het citadelmonument uit 1874 in neoclassicistische stijl. Dit object is tevens zelfstandig rijksmonument[1]. Het werd ontworpen door H.P. Vogel ter ere van de in 1832 in de Citadel te Antwerpen omgekomen militairen. Om de begraafplaats bevindt zich een bakstenen muur.
